Ik zit midden in een heftig opvoedgesprek.

Twee ouders die mij om hulp vragen omdat hun dochter van 17 maanden niet slaapt.

De overspannenheid knettert door de ruimte.

“Zeven keer per nacht eruit, is dat nog wel menselijk?” verzucht hij. “En dan dat huilen!”

“Als jij naar haar toe gaat, dan huilt ze nog veel langer, soms wel anderhalf uur,” antwoordt zij.

“Anderhalf uur?!” roept hij. “Een half uur, zal je bedoelen. Maar ja…,” – hij kijkt van mij naar zijn vrouw en weer terug – “zij gaat er eigenlijk altijd uit.” Hij kijkt weer naar haar.

En ziet haar nu echt.

“Maar nu is ze heel moe. En ik ook.” Zijn stem wordt vriendelijker, zachter. Kwetsbaar zelfs.

Samen maken we een effectief slaapplan met als uitgangspunt dat niemand meer hoeft te huilen. Een plan waar iedereen zich goed bij voelt. Zelfs de kleine nachtbraker.

Want ook die is inmiddels uitgeput.

“Je moet er dan wel echt voor gaan nu!” Haar stem klinkt verwijtend.
“Hoe bedoel je dat ik ervoor moet gaan? Jeetje zeg, jij kijkt altijd alleen naar mij!”

Volgende week zien we elkaar weer. Ik ben benieuwd of het minder knettert als iedereen wat meer is uitgerust.

Die avond krijg ik een appje.

Met een smiley.

Het slaapplan begint te werken. De nachtbraker slaapt lekker. Vol vertrouwen gaan ze de komende dagen in.

Ik ook.

BewarenBewaren

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.